1e lezing  Jesaja 58,7-10 
Evangelie  Mattheüs 5,13-16 
Thema  Zout en licht zijn relatiewoorden 

Een rabbi vroeg eens aan een leerling: “Wanneer eindigt de nacht en begint de dag? Waaraan kun je dat zien?” De ander zocht naar een goed antwoord: “Misschien als de eerste zonnestraal boven de horizon uitkomt? Misschien wanneer men de eerste lichtschemering aan de hemel ontwaart? Of wanneer men een struik van een mens kan onderscheiden?” “Nee, zegt de rabbi, de nacht wijkt voor de dag wanneer de ene mens in het gelaat van de ander een broeder of zuster herkent. Zolang dat nog niet het geval is, is de nacht nog midden onder ons”.

Deze anekdote brengt ons direct bij de lezingen van vandaag die zeggen: “Uw licht zal stralen als de dageraad.... dan straalt uw licht in de duisternis, dan wordt uw nacht als de middag” (Jesaja 58,10). “Gij zijt het licht der wereld ...... uw licht moet stralen voor het oog van de mensen”.(Mattheüs 5,16)

De lezingen roepen wel enkele vragen op: we mogen toch niet met onze goede daden te koop lopen? Zegt Jezus zelf niet in de bergrede: “beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen, om geëerd te worden. Als u een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit om door de mensen geprezen te worden. Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet.”
We willen dat ook niet. We hebben niet meer de pretentie dat wij betere mensen zijn dan mensen zonder geloof. Hoeveel fouten heeft de kerk niet gemaakt in het verleden? En wijzelf zijn ook maar gewone mensen met fouten en gebreken. We willen niet opvallen als christen. Soms zijn niet-gelovigen veel edelmoediger en socialer dan gedoopten. Ook zij werken mee aan de vooruitgang, bouwen huizen, bevorderen de gerechtigheid.....Gelukkig maar.

Onze afkeer om als christen op te vallen lijkt in tegenspraak met wat Jesaja en Jezus vandaag zeggen: “Laat uw licht stralen in de duisternis” en “Uw licht moet stralen voor het oog van de mensen opdat zij uw goede werken zien…...” In de bergrede zei Jezus er bij : “doe het niet om door de mensen geëerd te worden”. Maar vandaag zegt Hij er bij: “laat uw licht stralen voor het oog van de mensen ….. opdat zij uw Vader in de hemel verheerlijken.”

Het hangt dus af van onze motivatie: de goede werken moeten we niet doen om zelf geëerd te worden, maar om Gods wil te doen en God te verheerlijken, God die ons geroepen heeft en de genade geeft om goed te doen.

Dat is altijd de motivatie geweest van de missionarissen zoals zij die ziekenhuizen en medische posten hebben opgericht. Zij deden het niet om roem te verwerven, maar ze deden het voor God. Jezus heeft ook gezegd: “Wat je voor de minste der mijnen hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan”. Door deze instelling van de missionarissen werden de mensen geholpen en tegelijkertijd het geloof verkondigd.

Ik heb dat in India gezien: daar is het verboden voor christenen om mensen te bekeren. Zij mogen geen evangelisatie-activiteiten ontplooien. Ze mogen buiten de eigen kerken niet verkondigen. Maar ze doen heel veel sociaal werk. En dat zien de mensen. Dat wordt gewaardeerd. Zelfs met onderscheidingen en bijvoorbeeld de eervolle staatsbegrafenis van Moeder Teresa. Zo brengen zij toch duizenden mensen tot Christus.

Wat voor de missionarissen geldt, geldt ook voor ons. De motivatie om te delen, aan goede doelen te geven, kledingacties te houden, vrijwilligerswerk te doen, onderdrukking te bestrijden en andere goede dingen te doen, is niet om zelf geëerd te worden, maar om God te eren en om een teken te zijn van Gods aanwezigheid in deze wereld.

Eigenlijk zegt Jezus ook dat we bescheiden en onopvallend goed moeten doen. Want Hij zegt: “Jullie zijn het zout der aarde”. Wat gebeurt er met zout? Het wordt in het eten gestrooid. In het eten lost het op. Het is niet meer zichtbaar. Het valt niet meer op. Maar het werkt wel. Het zout laat de andere ingrediënten beter tot hun recht komen. De eters zullen zeggen: wat een lekkere soep, dat is van een goede kok. En zij eren de kok. Niet het zout.
Als christenen kunnen wij zo in deze wereld aanwezig zijn: als zout in de soep: onopvallend, maar krachtig.

Ook licht heeft die eigenschap: een licht schijnt op iets of iemand anders. Een licht laat datgene wat beschenen wordt beter tot zijn recht komen.
Als het christendom echt wordt beleefd, is het ook vandaag een licht dat de mensen naar God brengt. Zoals in de volgende ware gebeurtenis:
Anouk werkt op een groot kantoor en veel van haar collega’s lopen nou niet bepaald over van ijver. Omdat ze christen is wil Anouk in iedereen Jezus zien en staat ze open voor iedereen, ook als iemand boos wordt of probeert haar voor de gek te houden. Ze weet dat de anderen niet slecht zijn en dat ieder zijn eigen zorgen heeft.
Op een dag komt de chef naar haar toe, terwijl de anderen afwezig zijn en vraagt haar: “Nu moet je me toch eens zeggen hoe je er in slaagt om nooit je geduld te verliezen”. Ze antwoordt ontwijkend en zegt: “Ik probeer alles niet zo zwaar te nemen”. Onmiddellijk reageert de chef: “Nee, dat is het niet. Dit heeft beslist iets met je geloof te maken, anders is het onmogelijk. En dan te bedenken dat ik niet in God geloof!”. (verhaal van Anouk, Woord van Leven februari 1999)

Een lamp plaatst zichzelf niet op de standaard. We hoeven onszelf dus niet op een voetstuk te plaatsen. Maar als wij een lichtend voorbeeld zijn, dan zal de wereld ons wel op een standaard plaatsen. Als wij licht uitstralen, dan blijven we niet verborgen. De mensen zullen het zien en God verheerlijken die in de hemel is.