| Datum | 24 december 2006 |
| 1e lezing | |
| Evangelie | Lukas 2,1-20 |
| Thema | Engelen van deze tijd. |
Goedwillende kerstvierders,
Kersttijd is een tijd van verhalen vertellen. Ik wil beginnen met een verhaal van Marinus van den Berg, de bekende ziekenpastor. Ik vond het in het boekje Lied van Verlangen. Het heet: Het geheim van de kerstengel.
Het was op de grote markt van een van de wereldsteden. Met kerstmis stond er al vele jaren een levensgrote kerststal. In de stal stond nu ook een engel. Het was voeger een knik-engel geweest, maar de engel kon geen ‘ja' meer knikken. De meeste mensen houden niet van ja-knikkers, maar deze engel was altijd met liefde een knik-engel geweest. Ze had altijd een mooie plaats gehad in de kathedraal in diezelfde stad. Ze had daar in het volle licht gestaan, op een warme plaats. Ze had al die verwonderde, opgewekte en dankbare gezichten gezien van de kinderen die een muntstukje in het gleufje gooiden. Zelfs de volwassenen waren even weer als kinderen. Het was een dankbaar werk geweest daar als knik-engel te staan. Iedereen kende haar. Maar nu bleek dat de engel niet meer knikken kon, en de koster van de kathedraal besloot haar weg te geven voor de kerststal buiten op de markt. Daar kon het guur en koud zijn. De engel miste haar plaats in de kathedraal. Ze voelde zich uitgestoten, afgedankt. De engel wilde soms het liefst maar verdwijnen. Wat voor zin had haar bestaan nog? Maar er was diep in haar een zachte stem die zei: 'Er wacht een nieuwe toekomst...' De engel wist niet wat de stem bedoelde. Ze zag niets van een nieuwe toekomst, maar toch bleef ze wachten. Zo stond ze daar in die kerststal, die al enkele weken voor Kerst was opgesteld - dat was gezellig voor het winkelende publiek dat overal vandaan naar de stad kwam. Velen stonden even stil bij de stal. Dat was een oude gewoonte; dan zeiden ze: 'Het is weer net als vorig jaar.'
Maar op een dag - het was al nacht, en het was stil op de markt — gebeurde er iets vreemds. Een man die verslaafd was kwam de markt op wankelen, en liep naar de nog verlichte kerststal. Hij stapte met enige moeite over het hekje heen, en ging onder het afdak zitten, dicht bij de engel. De maan scheen helder die nacht. De man keek naar het gezicht van de engel, en begon tegen de engel te spreken. Hij vertelde haar het verhaal van zijn leven. Hoe een hevige angst zijn hart teisterde, al vele jaren. De angst om wie hij ten diepste was en wilde zijn. Hij durfde het niet te openbaren. Hij was bang verworpen te worden door de mensen die het allemaal zo precies wisten, de ja-knikkers, die slechts anderen konden napraten, maar zelf niet durfden na te denken; de mensen zonder eigen woorden. Hij was het spoor kwijtgeraakt, en de verslaving was zijn vriend geworden, een kwaaie vriend, die hem veel ellende bezorgde. De engel, die had willen knikken, maar dat niet meer kon, luisterde met heel haar gezicht. De man zag de aandacht die van haar afstraalde. Hij voelde dat ook de engel weet had van wat het is als je in de kou raakt, als je overal buiten komt te staan.
In de vroege ochtend verliet de man, die als een zwerver leefde, de kerststal op de markt. Iemand had naar zijn verhaal geluisterd. Dat had hem een vonkje nieuw licht gegeven. Het luisterende gezicht van de aandachtige engel had zijn verlangen aangeraakt.
Dit verhaal, beste kerstvierders, heeft twee hoofdrolspelers: de zwerver en de engel. In wie herkennen we ons? Misschien in de zwerver. Misschien zijn we door tegenslag ook wel zoekers geworden in het leven. Mogelijk zijn we in de steek gelaten door een levenspartner. Misschien raakten we ons werk kwijt. Misschien zijn we daardoor gaan drinken en maakten we meer kapot dan ons lief was. We zijn daardoor het spoor kwijtgeraakt.
Misschien hebben we niemand meer die nog eens tijd voor ons heeft. Niemand bij wie we ons hart kunnen uitstorten. Of een hevige angst teistert ons hart. Een angst waarover we niet durven spreken, bang verworpen te worden door de mensen die het allemaal zo precies weten, de ja-knikkers, die slechts anderen kunnen napraten, maar zelf niet durven na te denken; de mensen zonder eigen woorden.
Misschien herkennen we ons in de engel. Door ouderdom kunnen we niet meer wat we vroeger konden. We zijn bedankt, maar voelen ons afgedankt. We worden nergens meer voor gevraagd. Vroeger kregen we applaus en waren we bij velen bekend. Maar nu zijn de meeste vrienden en kennissen ons ontvallen. Of we waren vroeger heel actief in de kerk, maar hebben ons niet kunnen verenigen met de nieuwste ontwikkelingen en zijn er uitgestapt. Of, erger nog, we zijn aan de kant gezet.
Of misschien zijn we meegesleurd in de stress van de commercie, de economie, en zijn we alsmaar bezig geweest geld te verdienen en slikten we alles wat we te pakken konden krijgen. Of we gingen mee in de zap- en surfcultuur waardoor we zoveel verschillende meningen hoorden dat we niet meer weten wat we nu moeten geloven. We zijn net als de engel ja-knikkers geworden.
We zouden dan net als die afgedankte knik-engel het liefst verdwijnen. Wat voor zin heeft ons bestaan nog? Maar diep in ons klonk er dan nog een zachte stem die zei: “Er wacht een nieuwe toekomst”. Daarom zijn we toch nog maar eens naar de kerk gekomen voor deze kerstviering.
En hier hoorden we nog een ander verhaal over een andere engel. Een engel die geen knik-engel was. Een engel die uit een andere wereld kwam. Een engel die licht bracht in deze duistere wereld. Geen kunstlicht van flikkerende lampjes, neonreclame en lcd-schermen. Een engel die geen reclameboodschap bracht om zoveel mogelijk geld aan ons te kunnen verdienen. Maar een engel die een blijde boodschap bracht uit een andere wereld. Een blijde boodschap uit een wereld van vrede en liefde. Een blijde boodschap die hoop geeft aan alle mensen van goede wil. Maar dat was 2006 jaar geleden.
Maar nu? Zijn er nu nog engelen? Wie gelooft er nog in engelen als kerstmis voorbij is? Als de kerstverlichting weer ingepakt is en het nachtverlichtende vuurwerk weer gedoofd?
Bestaan engelen niet meer? Ja, toch wel. Het zijn de mensen die je in nood bijstaan. Die tijd voor je hebben. Die nog eenvoudig geloven als een kind. Mensen die spontaan zingen, God loven. Mensen die zich voor de vrede inzetten in conflictgebieden. Mensen met een positieve boodschap. De vraag is of we ze nog herkennen? Of we ze nog opmerken?
Jaren terug bestond er een tv-programma, een honeymoon-quiz, dat begon met het liedje: “Engelen bestaan niet, behalve één en dat ben jij”. Al zijn de eerste woorden van dat liedje niet in overeenstemming met ons christelijk geloof, er zit in die eerste zin toch een prachtige gedachte: namelijk: je kunt een engel zijn voor een ander. U en ik kunnen worden als de knik-engel toen die niet meer knikken en slikken kon: een engel die een luisterend oor biedt aan een medemens. Een engel, een mantelzorger, die nog tijd heeft voor niet-commerciële zorgverlening. U en ik kunnen misschien een engel zijn voor een zwerver, een zoeker, een twijfelende gelovige, een ongelovige, een allochtoon, een vreemdeling, een verslaafde.
In Nederland kennen we de uitdrukking: “Je bent een engel”. Zeggen we dat nog wel eens tegen onze man of vrouw, vader of moeder, zoon of dochter, hulpverlener, buurman of buurvrouw. Misschien kunnen we voor 2007 het voornemen maken dat eens wat vaker te zeggen.
Maar nog belangrijker is het dat anderen het tegen ons kunnen zeggen. Engelen zijn boodschappers door God gezonden. Ook wij kunnen dat zijn. God kan ieder van ons gebruiken als een engel in deze tijd.
Ik wil daarom besluiten met een prachtig gebed van Frans Cromphout:
Wij danken U, God, voor de goede mensen, die het kleine ontzien, het geknakte riet niet breken, en geen kind wegstoten. En wij bidden dat wij zulke mensen mogen ontmoeten en zulke mensen mogen worden.
Wij danken God voor de mensen die tijd en aandacht hebben om te spreken en stilte om te luisteren. En wij bidden dat wij zulke mensen mogen ontmoeten en zulke mensen mogen worden.
Wij danken God voor de mensen, die willen dienen, en die dat ook aan hun kinderen willen leren. En wij bidden dat wij zulke mensen mogen ontmoeten en zulke mensen mogen worden. Amen.